Afhaalsprookje

Hier lig ik, naast ons in het grote bed,

jij ademt luid, ik kijk naar je,

bedekt door dekens en het dagelijks

dons. De stoppels van het leven

prikken er nog steeds doorheen. 

.

Geheimen in de schemer

die ik ken. En daar ligt zij, nog

onbemind en naakt en kaal,

de waarheid. Die van ons.

.

Ik bouw er wel een fort omheen, iets fris

voor als het ooit gaat slapen. Er was eens

wat er ooit zou zijn. ‘Nee, niets’.

We hebben geen verhaal.

Wij, het publiek

Wij figureren, maken drukte en geven af

als de inkt nog nat is. Wij komen

altijd ergens achter.

.

Wij zijn de beste botenbouwers, wij zoeken op

en pluizen uit, jureren zonder oordeel

met de onderbuik.

.

Losliggende stoeptegels die hun nek uitsteken, daarvan

wordt bij de gemeente melding gemaakt, vermits vitale delen

gebroken of geschonden zijn. Afijn, wij begeven ons

op openbare wegen, sturen signalen

van de straat.

.

Ooit achtergrondkoor, nu zoekmachine leveren wij

nooit verrassend resultaat, geen sluitend antwoord

op de protagonist.

.

Zaken buiten onze bandbreedte vallen ons niet op.

Wij zagen voort, sturen iets het bos in

en beginnen opnieuw.

Frankie

We hebben een klimgeniek konijntje te logeren. Hoeveel obstakels we ook opwerpen, hoe meer we het hek ophogen, hoe vaak we een extra muur om hem heen bouwen, Frankie wringt zich er met souplesse en een zeker plezier doorheen. Soms ben ik bang dat hij zichzelf op een pin van het hek spietst, maar hij worstelt en komt boven. Niet dat het avontuur hem lokt, de grote verlossing. Nee, dat kan het niet zijn. Want na elk avontuur zit hij vervolgens doodgemoedereerd op een halve meter afstand van zijn hok op zijn gedachten te kauwen.

Was hij in een vorig konijnenleven in dienst bij Houdini? Heeft hij vorige levens versleten onder de knoet van een te strenge huwelijksmoraal? Is hij een berucht misdadiger geweest die keer op keer wist uit te breken?

Op zolder zit een stuk venijn. Ze wil ontsnappen maar overal zijn diabolische spelingen van het lot, die voorkomen dat ze uit het raam springt. Daarbuiten is geen groener gras. Oh Frankie.

Alma

Voor Alma waren de vertakkingen van het toeval een geschenk. Ze accepteerde geen enkele beperking van haar bewegingsvrijheid en nog minder het idee dat hetgeen zich tussen ons afspeelde, wat dat ook mocht zijn, haar ervan zou weerhouden haar impulsen te volgen. Datgene wat wij waren wanneer we bij elkaar waren mocht niet benoemd worden, en daarom wist ik ook niet zeker of het überhaupt bestond wanneer we niet bij elkaar waren. Bij elke ontmoeting begon het van voren af aan.

(Indian summer, Jens Christian Grondahl)

Uit het raam

Van die dagen dat je wou dat je piano, dat je
liedjes staat te zingen, langzaam in je eigen stem, tot de
smartlappenpolitie sluizen opent en je kleine ego platwalst.
Van die dagen.

.
Van die dagen dat je zolder uitzicht, op de
wereld, op de straat, de straat is daar waar kinderen spelen, jeugd is lang
geleden nu en alles is al lang te laat. Van die avonden.

Die avond dat je laat ging slapen, stemmen hoorde
in de tuin, dat een avondrijk gezelligheid.

.

Dat je wil dat in een stille wereld mensen niet steeds
herrie maken. Dat de stilte diep van binnen,
dat je
.

Van die dagen. Zet de deur maar open.
Buiten is het zomerlicht.

Vrij zijn

Het hoofd wil rust, ik zoek een kist, een doekje voor het zweten.
Een zwachtel voor het dansen van mijn voeten
op het asfalt. Ik bevrijd de fee in mij.

Het hoofd moet vrij, en wind moet waaien
door de geest, het heeft gewoon de tijd, de stilte, nee.

Het hoofd voedt de kadans in mij, het gretig lijf,
Mijn voeten zijn de hoek al om, het hart drie slagen verder

Het hoofd blijft achter, kijkt niet
verder dan de kale horizon.

Woorden van steen

Ze had spijt. Enorme spijt. Vanaf het moment dat ze plaatsnam op een van de veel te krappe goudomrande stoeltjes met hun zacht fluweel, vijf op een rij na rij na rij. Binnen was het donker, de mensen waren saai en lelijk, opgewonden als een stel kleuters die eindelijk het geheim van Sinterklaas zouden gaan ervaren. Buiten strekten tientallen vierkante meters pauselijke tuin zich uit in de late septemberzon.

Ze kneep haar benen samen en probeerde er het beste van te maken. Haar lippen plakten van vers verlangen naar de man die niet wist waarom ze verliefd op hem was. Ze wist het zelf ook niet.

Terwijl de spreker zijn zouteloze verhaal opdiste zag ze duizend-en-één erotische scènes weerspiegeld in de glas-in-lood ramen. ‘Jij knijpt er niet straks lekker tussenuit hè’ zei de collega naast haar, terwijl ze haar een kruimelig roomboterkoekje in de schoot wierp.

Ze rommelde in haar tas, zocht de woorden die haar waren ontglipt. Ze hoopte vurig dat ze alleen maar lieve dingen had gezegd over hoe fijn het was om samen tijd door te brengen, niets bijzonders te doen, in het bijzonder niets te doen. In haar jaszak vond ze de twee schroeven uit het plantsoen en daar waren ook de tortelduifjes, de reiger, de stenen uil en de hamerhaai. Ze dacht aan de jongen die schalks naar haar had gelachen voordat hij in zijn auto stapte en wegreed.