Kijken naar kleuters

Treurig: een groepje goede bedoelingen in een verduisterd zaaltje starend naar het projectiescherm. De eigen lichten gedoofd om iets op te steken van het Mantelpak dat in bullets verpakte oneliners op hen afvuurt. Zie ze wijzer worden, de hersenen opgefrist onder een regenboog van sticky notes. Met een serieuze bril op, een rode, blauwe of zwarte hoed doen ze hun best de zaken eens van de andere kant te beschouwen. Helaas. Ze zijn voorgeprogrammeerd om oplossingsgericht te werken. Hun denkraam is te klein voor grote ideeën.

Kom daar eens om op de kleuterschool. Niets geen voorgelijmde briefjes met voorgedachte zinnen en voorverpakte ideeën. De kleuters pakken een kwast, of een handje modder, of wat ze maar voorhanden hebben en gaan hun gang. Misschien plakken ze hun pas geverfde tekening met de natte kant tegen de muur, juist omdat het dan blijft plakken. De muur interesseert ze niet. Misschien nemen ze een hapje van de blauwe verf om te proeven of die anders smaakt dan de groene. Of ze verven elkaar en gaan dan een potje stoeien. Vruchtbare kleurvermenging.

Advertentie

Frankie

We hebben een klimgeniek konijntje te logeren. Hoeveel obstakels we ook opwerpen, hoe meer we het hek ophogen, hoe vaak we een extra muur om hem heen bouwen, Frankie wringt zich er met souplesse en een zeker plezier doorheen. Soms ben ik bang dat hij zichzelf op een pin van het hek spietst, maar hij worstelt en komt boven. Niet dat het avontuur hem lokt, de grote verlossing. Nee, dat kan het niet zijn. Want na elk avontuur zit hij vervolgens doodgemoedereerd op een halve meter afstand van zijn hok op zijn gedachten te kauwen.

Was hij in een vorig konijnenleven in dienst bij Houdini? Heeft hij vorige levens versleten onder de knoet van een te strenge huwelijksmoraal? Is hij een berucht misdadiger geweest die keer op keer wist uit te breken?

Op zolder zit een stuk venijn. Ze wil ontsnappen maar overal zijn diabolische spelingen van het lot, die voorkomen dat ze uit het raam springt. Daarbuiten is geen groener gras. Oh Frankie.

Alma

Voor Alma waren de vertakkingen van het toeval een geschenk. Ze accepteerde geen enkele beperking van haar bewegingsvrijheid en nog minder het idee dat hetgeen zich tussen ons afspeelde, wat dat ook mocht zijn, haar ervan zou weerhouden haar impulsen te volgen. Datgene wat wij waren wanneer we bij elkaar waren mocht niet benoemd worden, en daarom wist ik ook niet zeker of het überhaupt bestond wanneer we niet bij elkaar waren. Bij elke ontmoeting begon het van voren af aan.

(Indian summer, Jens Christian Grondahl)

Uit het raam

Van die dagen dat je wou dat je piano, dat je
liedjes staat te zingen, langzaam in je eigen stem, tot de
smartlappenpolitie sluizen opent en je kleine ego platwalst.
Van die dagen.

.
Van die dagen dat je zolder uitzicht, op de
wereld, op de straat, de straat is daar waar kinderen spelen, jeugd is lang
geleden nu en alles is al lang te laat. Van die avonden.

Die avond dat je laat ging slapen, stemmen hoorde
in de tuin, dat een avondrijk gezelligheid.

.

Dat je wil dat in een stille wereld mensen niet steeds
herrie maken. Dat de stilte diep van binnen,
dat je
.

Van die dagen. Zet de deur maar open.
Buiten is het zomerlicht.

Woorden van steen

Ze had spijt. Enorme spijt. Vanaf het moment dat ze plaatsnam op een van de veel te krappe goudomrande stoeltjes met hun zacht fluweel, vijf op een rij na rij na rij. Binnen was het donker, de mensen waren saai en lelijk, opgewonden als een stel kleuters die eindelijk het geheim van Sinterklaas zouden gaan ervaren. Buiten strekten tientallen vierkante meters pauselijke tuin zich uit in de late septemberzon.

Ze kneep haar benen samen en probeerde er het beste van te maken. Haar lippen plakten van vers verlangen naar de man die niet wist waarom ze verliefd op hem was. Ze wist het zelf ook niet.

Terwijl de spreker zijn zouteloze verhaal opdiste zag ze duizend-en-één erotische scènes weerspiegeld in de glas-in-lood ramen. ‘Jij knijpt er niet straks lekker tussenuit hè’ zei de collega naast haar, terwijl ze haar een kruimelig roomboterkoekje in de schoot wierp.

Ze rommelde in haar tas, zocht de woorden die haar waren ontglipt. Ze hoopte vurig dat ze alleen maar lieve dingen had gezegd over hoe fijn het was om samen tijd door te brengen, niets bijzonders te doen, in het bijzonder niets te doen. In haar jaszak vond ze de twee schroeven uit het plantsoen en daar waren ook de tortelduifjes, de reiger, de stenen uil en de hamerhaai. Ze dacht aan de jongen die schalks naar haar had gelachen voordat hij in zijn auto stapte en wegreed.