Zeemeermin

Naakt sta ik hier, ik spreek niet meer,
gespleten is mijn staart. Het dunne wier
kleeft aan mijn borst en messen dansen
onder mijn voeten. Ik druppel na
maar blijf verlangen naar de deining
van het onderzeese bloemenveld.
De stemmen zijn verstomd. Gemurmel.
Ik denk aan mijn verstilde tuin, versteende minnaar.

Nu naar de boot mijn liefste! Vanavond
beneveld door wijn feest ik.

Voordat het cynisme opkomt
gooi ik mijn mes in de golven.

Aan verdwaalde sokken

Dit is een ode,
een antipode
een tegengif voor het vilein.

Een ode
aan de sokken
die de zijne niet zijn

Een ode
aan die ene
onbekende in de was

Een ode
aan de lichtvoet
sluipend door het blauwe gras

De deur is
op een kier nu
en het slaapkamertapijt

is bezaaid
met einzelgängers
allen zijn er eentje kwijt

Locked-in

Mensen werken aan de pingpongtafel, eten sommen als ontbijt, beren blijven eenzaam achter, werken in verloren tijd

Mensen gaan op jacht naar later, zoeken wat de pijn verzacht: hamsters, kogels, diepvrieserwtjes, waar een kind het laatste lacht

Mensen praten almaar harder, stilte kent een kort bestaan, poëzie vult alle gaten, komt een man de dokter zingt, de dokter danst, de wereld staat niet op z’n kop. Maar wij. Wij zijn van binnen gek geworden.

Kuifje

Hoe vang je een originele geest? De eerste gedachte die in je opkomt, nee niet die gedachte maar die vlak daarvoor. Ja, daar was er een, het is een flard een klucht een zucht en pak die! Niet de tweede, derde, vierde, steeds gecultiveerder, grammaticaler, ingevoegd en ingesnoerd naar sociale wensen en uiterlijke vormelijkheden. Het eerste lelijke nachtlicht, naakt, knipperend met de ogen, dwalend, wat doé ik hier? Dat is ‘m. De kuif rechtop, right-out-of-bed kapsel, want je moet ‘m op het juiste moment zien te vangen, Kairos de Kuifje van de Olympus.

asmr live

De deurbel gaat en daar is De Stem. Wat een morsig mannetje.

Hij komt het nieuwe geloof verkondigen. Ik laat me een containerschoonmaakabonnement aansmeren om hem maar te horen praten. Niet ophouden. Alsof er een innerlijke geluidsfrequentie zachtjes aangetikt wordt.

Ze staan ook op internet. Zo’n stem die zegt ‘Ooooh…It’s you again. How nice to see you…….’. Fluwelen nonsens komen op koude voetjes m’n oren in. Het kriebelt een beetje. De geest glijdt weg. Eindelijk ligt die aap even stil.

De conducteur zegt

De conducteur zegt denk aan uw spullen.

Neem al wat van uzelf is, weer mee.

De conducteur kan ook een hoarder zijn.

‘Dames en heren, over enkele minuten’

treingeroffel

‘zullen wij aankomen op station X.

Dit station is géén bestemming’

Het is een belevenis

Denk bij het verlaten van de trein niet aan uw spullen.

Laat alles wat van uzelf is,

wat u zelf bént,

hier liggen.

Dan neem ik het mee,

voor vanavond

bij de ratelende verwarming

(van) mijn vrouw.

T-shirt

‘Mag ik jou iets vragen?’
Ze herkent de man als een van die bekende vreemden die dag in dag uit met haar meereizen, sommigen zichtbaarder dan anderen. Na verloop van reistijd voelen ze allemaal een beetje vertrouwd.
Wat zou die nou van me willen, vraagt ze zich af, maar misschien wil hij alleen de weg vragen. Best een knappe man, zie ze als ze dichterbij komt. Zou hij nou speciaal aan míj iets willen vragen?
‘Ja natuurlijk’
‘Kan het zijn dat jij vanmorgen je T-shirt in de trein hebt laten liggen?’
Hoe ze in een vloeiende beweging haar bezwete fietsshirtje uittrok en haastig een frisgewassen truitje over haar hoofd trok, alsof het de normaalste zaak van de wereld was om in een volle treincoupé de kleur van de dag te herkennen in je BH. Ze dacht altijd dat niemand het zag, deze dagelijkse routine.
De tas gaat open en met een triomfantelijk gebaar tovert hij haar zwarte shirtje tevoorschijn. ‘Oooh, gênant dit ahahahah, jaaah dat is mijn shirt!’.
Hij laat een geamuseerd lachje horen. ‘Ik dacht al dat ik iets zag dat niet dagelijks gebeurt’
‘Eh, nou, jawel. Dat doe ik elke dag, maar ik probeer het met zo’n vanzelfsprekendheid te doen dat het niet opvalt. Dat is dus niet gelukt…’
Toen ze wegfietste was ze zich ineens heel erg bewust van de grootte van haar te opvallende mintgroene regenjas die als een supermancape om haar heen wapperde. Thuisgekomen stak ze haar neus in haar shirt. Gelukkig, geen zweetlucht. Rook best lekker fris eigenlijk, was dit wel haar geur, of was die nu vermengd met de zijne? Zou hij eraan geroken hebben? Vast wel. Dat hij was opgestaan van zijn plek om het shirt op te rapen, de moeite had genomen het in zijn tas te doen, wetende dat zij in de terugtrein in dezelfde coupé zou zitten als altijd. En dat ze daar dit keer niet zat, omdat ze later was ingestapt, aan de verkeerde kant van de trein. Dat hij had gewacht bij de uitgang van de fietsenstalling tot ze naar buiten kwam.
Ze was vergeten zijn naam te vragen, maar ze zou hem wel weer ergens tegenkomen. Tot de zomer reisde hij die kant op had hij gezegd, eraan toevoegend ‘maar morgen ben ik met de auto’.