T-shirt

‘Mag ik jou iets vragen?’
Ze herkent de man als een van die bekende vreemden die dag in dag uit met haar meereizen, sommigen zichtbaarder dan anderen. Na verloop van reistijd voelen ze allemaal een beetje vertrouwd.
Wat zou die nou van me willen, vraagt ze zich af, maar misschien wil hij alleen de weg vragen. Best een knappe man, zie ze als ze dichterbij komt. Zou hij nou speciaal aan míj iets willen vragen?
‘Ja natuurlijk’
‘Kan het zijn dat jij vanmorgen je T-shirt in de trein hebt laten liggen?’
Hoe ze in een vloeiende beweging haar bezwete fietsshirtje uittrok en haastig een frisgewassen truitje over haar hoofd trok, alsof het de normaalste zaak van de wereld was om in een volle treincoupé de kleur van de dag te herkennen in je BH. Ze dacht altijd dat niemand het zag, deze dagelijkse routine.
De tas gaat open en met een triomfantelijk gebaar tovert hij haar zwarte shirtje tevoorschijn. ‘Oooh, gênant dit ahahahah, jaaah dat is mijn shirt!’.
Hij laat een geamuseerd lachje horen. ‘Ik dacht al dat ik iets zag dat niet dagelijks gebeurt’
‘Eh, nou, jawel. Dat doe ik elke dag, maar ik probeer het met zo’n vanzelfsprekendheid te doen dat het niet opvalt. Dat is dus niet gelukt…’
Toen ze wegfietste was ze zich ineens heel erg bewust van de grootte van haar te opvallende mintgroene regenjas die als een supermancape om haar heen wapperde. Thuisgekomen stak ze haar neus in haar shirt. Gelukkig, geen zweetlucht. Rook best lekker fris eigenlijk, was dit wel haar geur, of was die nu vermengd met de zijne? Zou hij eraan geroken hebben? Vast wel. Dat hij was opgestaan van zijn plek om het shirt op te rapen, de moeite had genomen het in zijn tas te doen, wetende dat zij in de terugtrein in dezelfde coupé zou zitten als altijd. En dat ze daar dit keer niet zat, omdat ze later was ingestapt, aan de verkeerde kant van de trein. Dat hij had gewacht bij de uitgang van de fietsenstalling tot ze naar buiten kwam.
Ze was vergeten zijn naam te vragen, maar ze zou hem wel weer ergens tegenkomen. Tot de zomer reisde hij die kant op had hij gezegd, eraan toevoegend ‘maar morgen ben ik met de auto’.

Bravage

Je zou toch denken dat,

na jaren trouwe dienst,

het dragen van ontdooiend spek op blinkend oppervlak,

van botte messen die de putjes in je aanrechtblad,

dat iemand aan het rechte eind

nog even had gewacht om dat, met meer bravoure –

maar nee:

met klapperende deurtjes,

onverkwikkelijke geurtjes en een grand salut

neemt de afzuigkap de laatste bocht en blaast

de aftocht.

Vleugellam

Sta nu op,

ik ben de zwarte vogel in je binnennest,

ik voed me met de maden

uit je onbekwame vlees,

kras kraaienpootjes,

been je schedel uit. Schrik niet

van een kale schreeuw:

je valt,

verliest je evenwicht, je

onderdak.

.

Ik duw je stompe lichaam

door het open raam en vlieg

voorbij.

.

Zo vang ik vliegen

die niet vliegen kunnen

– nooit geleerd want nooit gedaan

.

Het zal een lichte

landing zijn, je valt voordat je

echt gevallen bent.

Ukiyo-e

‘Het leven zelf doet niks en toch gebeurt alles’, filosofeert de schrijver * van het zeer korte verhaal (zkv) terwijl hij een brood bakt. In Japan noemen ze dat Ukiyo-e, het voortvlieden van de werkelijkheid. We zijn er eventjes en dan verdwijnen we weer. In het Taoïsme: “De weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan”

Wie de romans van Jens Christian Grondahl leest, kan daaraan toevoegen dat het ook niet uitmaakt omdat het je niet bijblijft zoals het was.

‘Er is zo weinig wat je in feite bijblijft. Je weet dat dit of dat is gebeurd, maar je kunt het amper meer zien. Misschien geloof je alleen maar dat het is gebeurd.’

‘De woorden zijn voortdurend te snel of te langzaam, ze verstrooien in plaats van te verzamelen, of ze lichten maar een tipje van de sluier op. De lege ruimte legt zich eromheen, en ze steken hun voelhorentjes en slurfjes in de lucht, tevergeefs, als konden ze bij de grenzen van de leegte komen die er alsmaar omheen groeit, daar waar de geschiedenis mij heeft achtergelaten. Elk moment daarvan is constant in beweging en wisselt van plaats in aldoor nieuwe en dubieuze patronen als zandkorrels op een glasplaat die aan het trillen worden gebracht door de nutteloze muziek van de woorden. Niet zoals het werkelijk was, maar als een armzalige ruilhandel met het halfgeziene en het reeds vergetene. Ik vang slechts glimpen van haar op tussen de woorden, rafelige ogenblikken die in het rond stuiven als sneeuwvlokken of flintertjes as, te licht, te dun om mijn woorden te dragen.’(Indian Summer: 22)

  • (interview met A.L. Snijders, 21/7/2018)

Slapeloos

Een nachtdier was ze. Na slapeloze uren vol draaiballetten en braltrompetten hield ze de kamer voor gezien. Ze opende het raam. Rumoer kwam van buiten en maakte haar onzeker en bang, maar ze stapte over de rand, aarzelde even en liet zich toen achterovervallen. Wild fladderend in haar val, sneller en sneller tollend richting de glanzende straat zag ze slechts een groene streep neonlicht. Als in een droom bleef ze in rondjes boven de stad zweven. Kyteman hield haar gezelschap met zijn kriebelige trompetgeschal. Het was alsof hij haar billen streelde, ze voelde hoe de dichter haar tegen zich aantrok, zijn verenkleed opstak en haar onder zijn vleugels nam. Ze wilde geborgen zijn, niet eenzaam. Waar ze ook was nam ze een natuurlijke eenzaamheid mee, een afstand van de wereld.

So Lo

Zo-hoooo, durf ik het aan, de Solo binnengaan? Ja! ’t Lijkt me wel wat, een winkel voor solisten, waar je ongeremd mag dromen, niemand staart je aan, waar je anderen niet voor de voeten loopt, zo’n winkel die niets anders van je wil dan dat jij daar & dan domweg gelukkig bent.

Zo’n winkel was het niet. Niet de kekke zus van Soho, maar een winkel die het laagste in de moderne mens naar boven haalt. So Low.

Déjà-vu.

Ik was hier eerder, heb het verdrongen maar de paniek komt weer boven. Koud over de drempel raakte ik er mijn kleuter kwijt. Moest de héle winkel door want daar hebben ze over nagedacht, over de route die de argeloze kut-klant aflegt, tot de ellebogen wadend door de overbodigheid. Plots stond ik weer buiten, kleuter niet gezien. Terug die hel in. Achter een gordijn bleek een speciale hoek ingericht, het vagevuur, waar plastic skeletten en een pratende neppapegaai hun griezeligste lach ten beste gaven. Daar stond hij, mijn vierjarige, zich te vergapen aan een lichtgevend doodshoofd.

Nu ben ik terug.

Omdat het moet, omdat de dochter speciale bakjes heeft gevraagd waar de hele sieradenhandel in past, en om het prille ondernemerschap niet in de kiem te smoren volg ik braaf het briefje.

‘Knettterkaarsen moet ik hebben’ zegt een stem vlakbij mijn oor. Ik negeer, net als het blèrende kind dat zich in elke winkel bevindt, en de niet-aflatende stroom koopjesjagers die mij voorbijsnellen. Ik haal jullie straks wel in.

De buit is binnen, naar de kassa. Dat betekent 4 x links en 5 x rechtsaf om halverwege de winkel al te eindigen in een lange rij. Staat er ook nog iemand met een knorrend varken achter mij. Bij de kassa is mijn dag weer goed. Doosjes vol mini piemelvormige snoepjes ‘een ideale zuigbare traktatie’ in vier smaken en vijf talen. Penisi penisi.